05/10/2020

Essay | Consumeer minder, heb meer lief

Blog / By Sisonke Msimang

Ik ben Zuid-Afrikaanse, maar ik woon in Australië, een van de rijkste landen ter wereld. Zoals veel mensen die in rijke landen wonen, waren ‘eerstewereldproblemen’ mijn grootste zorg aan het begin van het jaar. Ik was druk met het regelen van een nieuw schooluniform voor mijn oudste kind en ik was geïrriteerd door te luidruchtige bouwwerkzaamheden bij de buren. Ik heb urenlang nagedacht over de vraag of ik een opdracht moest aannemen waarvoor ik eigenlijk te lang van huis weg zou zijn. Ik had niet kunnen vermoeden dat een paar maanden later de scholen van mijn kinderen gesloten zouden zijn, de bouwwerkzaamheden van mijn buurman stopgezet zouden worden en mijn inkomen met een kwart zou afnemen terwijl ik thuis zou moeten blijven vanwege een door de staat opgelegde lockdown.

Het jaar begon redelijk normaal, met een nieuwjaarsfeest en te veel drankjes. Maar binnen enkele dagen werd ik in beslag genomen door het nieuws over bosbranden die langs de oostkust van het land woedden. Ik keek naar reddingsoperaties voor koala’s en mensen en maakte me elke keer zorgen als ik een brandlucht rook. Ik vroeg me af of de oude eucalyptusbossen van Tasmanië volledig zouden worden weggevaagd, of Kangaroo Island ooit nog toeristen zou mogen ontvangen. Net zoals andere ouders lag ik wakker van de vraag wat dit alles zou betekenen voor mijn kinderen. Ze zitten nog maar op de basisschool en het vooruitzicht van klimaatverandering heeft altijd als een schaduw over hun jonge levens gehangen. De antwoorden leken voor de hand liggend, maar ik was te bang om iets anders te doen dan de vraag te stellen: ‘Wat heb ik eraan gedaan?’ De bosbranden waren de meest recente catastrofe in een lange rij van zware weersincidenten veroorzaakt door klimaatverandering. Mijn kleine financiële bijdragen aan een milieugroepering en mijn obsessie voor recycling en compostering leken steeds meer tekort te schieten.

Aan de branden kwam een einde en ik dacht – dwaas genoeg – dat we misschien weer zouden kunnen gaan leven zoals eerder. Toen het leven weer ‘normaal’ werd, kreeg ik weer een goed gevoel bij recycling. Eind februari vloog ik naar New York voor mijn werk en op de terugweg had ik een korte tussenstop in Milaan. Toen ik uit het vliegtuig stapte, kwam ik terecht in een verontrustende situatie. Overal droegen mensen mondkapjes – van het grote, medische soort. Op televisieschermen in de lounge schreeuwden de krantenkoppen me toe: ‘Italië is het nieuwe epicentrum van het coronavirus’. Ik had slechts vijf uur in het vliegtuig gezeten, maar er was iets wezenlijks veranderd.

Minder dan een week later was ik in Sydney. Op een avond kwam ik in een studio voor een radio-interview en de technicus die me in de opnamecabine liet, zwaaide naar me en glimlachte. Ik heb mijn hand niet uitgestoken en hij ook niet. We zwaaiden naar elkaar en hij zei: ‘Laten we geen risico’s nemen.’ Ik was het met hem eens. Er was een nieuwe wereld ontstaan. Een week later was het land in lockdown. Er was ineens een nieuwe taal ontstaan om onze situatie in woorden te vatten. Mensen werd gevraagd om in ‘thuisisolatie’ te gaan. Passagiers van cruiseschepen werden in quarantaine geplaatst. We werden allemaal gevraagd om sociale afstand te bewaren. In de winkels zagen de mensen er bang en paniekerig uit en er lag geen toiletpapier meer in de schappen. Het hamsteren was begonnen.

*

Ik herinner me uit mijn kindertijd in Zambia dat mijn moeder in elke rij sprong die ze zag. Zelfs als ze niet wist waar iedereen op stond te wachten, wist ze dat ze het nodig zou hebben. Er waren altijd tekorten aan basale voedingsmiddelen. Ze vroeg dan aan degenen die voor haar stonden: ‘Waar wachten we eigenlijk op?’ Dan glimlachten de mensen en zeiden tegen haar: ‘Vandaag hebben ze bakolie,’ en ze zou blij zijn dat ze was gestopt om zich aan te sluiten in de rij. Er was geen sprake van dringen of ruziën, omdat iedereen behoeftig was en omdat niemand daar wat aan had. Iedereen was gewend om te wachten en te lijden. Er is iets bijzonders aan het leven op het niveau waarop je net kunt overleven waarvan je erg geduldig wordt – voor een tijdje tenminste.

Het is niet mijn bedoeling de acceptatie van armoede te romantiseren. De omstandigheden die tot voedseltekorten leiden, mogen niet worden verheerlijkt of geaccepteerd. Toch kon ik me mijn jeugd nog goed herinneren in die vroege, gespannen weken van maart, toen Australië in lockdown ging, en ik werd geraakt door het feit dat veel mensen in dit land zich nooit zorgen hebben hoeven maken over honger. Zij zijn nog nooit in een situatie van wanhopige en fundamentele menselijke nood geweest. De meesten van hen hebben een leven van comfort geleid, zonder zich zorgen te hoeven maken over collectief lijden. Daarmee wil ik niet zeggen dat witte mensen uit de middenklasse hier geen liefdesverdriet of persoonlijke tragedies hebben meegemaakt. Je kunt de condition humaine niet ontlopen. Iedereen heeft te maken met de pijn van verwondingen, de dood van familie en vrienden en het lijden dat wordt veroorzaakt door een slechte gezondheid.

Afgezien daarvan hebben de meeste Australiërs een ongeëvenaarde levensstandaard. Terwijl veel mensen in Europa werkloosheid gekend hebben, kent Australië al dertig jaar lang onafgebroken economische groei. Voor de oorspronkelijke bewoners is het een heel ander verhaal. Voor de meeste andere Australiërs is de komst van covid-19 echter zeer confronterend geweest.

Ik heb nog nooit zoveel foto's gezien van lijdende witte mensen.

Terwijl covid-19 door Europa raasde en witte lichamen kwetsbaar werden, waren er camera’s in ziekenhuizen en luchtfoto’s van pas gegraven graven. Ik heb nog nooit zoveel foto’s gezien van lijdende witte mensen. Het was een vreemde ervaring – pijnlijk natuurlijk, maar ook volkomen vreemd voor mij. Ik ben gewend om in de media beelden van zwart lijden te zien: ondervoede Afrikaanse kinderen, lijken in conflictgebieden, mensen met aids op de rand van de dood. Hoewel journalisten respect toonden voor de doden op een wijze die zelden wordt gegund aan zwarte mensen, was de onvermijdelijke realiteit dat er mensen stierven. Witte mensen in Australië die zich verbonden voelen met Europa als een continent waar ze nauwe culturele en psychische banden mee hebben, ervoeren existentiële angst. De grote bezorgdheid die hierdoor is ontstaan kan niet worden onderschat. Voordat duidelijk werd dat alles weer in orde zou komen, haalden mensen zo veel mogelijk spullen uit de winkels, ondanks dat hun verzekerd was dat er geen problemen waren met de voedselproductie. Het was alsof ze iets nodig hadden om voor te vechten. De drang om meer te hebben dan anderen was sterk. Gewend aan comfort en onbekend met schaarste, raakten ze geobsedeerd door toiletpapier.

Een samenleving waarin toiletpapier de belangrijkste handelswaar wordt tijdens een crisis, is een samenleving waarin sprake is van een overvloed aan privilege. Als er geen eten is, kun je nooit vechten om toiletpapier omdat je te druk bent met overleven. Toen ik zag hoe dit alles zich voltrok, voelde ik me diep verdrietig. Overconsumptie verandert de menselijkheid van degenen die te veel hebben. Het maakt ons spilziek, harteloos, het beperkt onze blik tot ons eigen eilandje en het zorgt ervoor dat we meer geïnteresseerd zijn in onze eigen behoeften dan in wat iemand anders echt nodig zou kunnen hebben.

Na die gespannen week waarin niet duidelijk was wat er zou gebeuren, stopten de Australiërs met ruziën om toiletpapier. Ze werden zich ervan bewust dat het individualisme weliswaar had gefunctioneerd voor hen in tijden van stabiliteit, maar dat het hen nergens zou brengen in tijden van stress. Ze hadden elkaar nodig. Degenen onder ons die nooit de luxe hebben gehad iets anders te doen dan op elkaar vertrouwen, omdat we hebben moeten navigeren tussen seksistische, racistische, homofobe en tegen arme mensen gerichte systemen en structuren, hadden deze les niet nodig. Toch maakte het wat bij me los toen ik toekeek hoe de regering – een rechtse groep politici die de afgelopen twee decennia dezelfde ecologische, culturele en politieke schade heeft aangericht als rechtse bewegingen overal op de wereld – besloot om de inkomenssteun uit te breiden naar iedereen die het nodig had. Al jaren proberen activisten de regering te bewegen tot het verhogen van de werkloosheidsuitkeringen. Australië heeft de op twee na laagste werkloosheidsuitkering van de OESO-landen (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, red.) voor een pas werkloos geworden werknemer met een minimumloon. Met de komst van het coronavirus werd de financiële steun meteen verhoogd, niet voor een kleine groep, maar voor iedereen die het nodig had. Het was een ongelooflijke ommezwaai.

Het lijden van sommigen is verbonden met het lijden van allen.

Deze verandering zal uiteraard niet eeuwig blijven duren, de regering probeert al een uitweg te vinden. Maar er is iets in de maatschappij in beweging gekomen. Er is een bijna tastbaar gevoel van empathie tussen mensen. Mensen die nog nooit eerder sociaal en economisch kwetsbaar zijn geweest, kwamen tot een nieuw inzicht, namelijk dat het lijden van sommigen verbonden is met het lijden van allen.

Toen 2020 begon, geloofde ik dat we het einde van de geschiedenis van de mensheid hadden bereikt. Terwijl ik de bosbranden zag woeden, bereidde ik me voor op de realiteit dat mijn kinderen de stijgende temperaturen en de toenemende extreme weersomstandigheden misschien niet zouden overleven. Ik was doodsbang dat de verslechterende economische en sociale omstandigheden die zij niet zelf hebben veroorzaakt hun levens zouden verwoesten. Tegelijkertijd voelde ik me te machteloos om iets te kunnen doen. Ik was verstrikt in een systeem waaraan ik me medeplichtig voelde omdat mijn werk veel international reizen met zich meebracht. Wat was het nut van recycling als mijn ecologische voetafdruk zo schrikbarend groot was? Ik was de planeet aan het opbranden om mijn familie te onderhouden en ik maakte me vervolgens zorgen over het effect dat dit op de lange termijn op hen zou hebben. Het leek wel of ik op zo’n loopwiel voor hamsters zat en er niet af kon.

Het coronavirus zette me weer met beide voeten op de grond. Ik heb al maanden niet meer in het vliegtuig gezeten en ik heb amper mijn auto gebruikt. Ik heb minder geld op mijn bankrekening, maar ik weet hoe het is om met minder te leven en tot nu toe heb ik geen grote ongemakken ondervonden. Deze periode is een belangrijk keerpunt voor mij geweest. Het heeft me gedwongen om de meest milieuvriendelijke versie van de toekomst te leven die ik me kan voorstellen, en tegelijkertijd heeft het miljoenen anderen gedwongen hetzelfde te doen. Het gezamenlijke effect is verbluffend.

Een andere wereld is echt mogelijk – niet over vijftig jaar, maar nu. Op plaatsen waar rook de hemel kleurde, is de lucht al schoner en zuiverder. De prijs van olie is zo laag geworden dat deze waardeloos is en zal blijven als we onze consumptie blijven beperken. Fossiele brandstoffen zullen alleen weer rendabel zijn als we weer toegeven aan het gedrag dat slechts vijf maanden geleden nog zo diepgeworteld was. Als we dat niet doen, hebben we een echte kans om het tij te keren.

De aarde ademt wat makkelijker en voor het eerst in vijf jaar kan ik me een wereld voorstellen waarin de verwoesting van de planeet niet onvermijdelijk is. De toekomst is geen eenrichtingsweg naar vergaring van rijkdom en ‘vooruitgang’. Op dit moment is de toekomst een geschenk dat we nog steeds kunnen geven aan generaties die nog niet geboren zijn. We staan op een belangrijk kruispunt en we kunnen de richting die de planeet op gaat bepalen.

De geschiedenis leert ons dat we niet alleen op goede wil kunnen vertrouwen om de wereld te veranderen. De systemen en structuren van het kapitalisme die door de rijken en machtigen zijn opgezet, worden in stand gehouden door een simpele wet van vraag en aanbod. Covid-19 is er – op dit moment – in geslaagd om deze dwangmatigheid, die het moderne menselijke gedrag stuurt, te verstoren. Als deze verstoring in stand wordt gehouden in het belang van economische, sociale en ecologische rechtvaardigheid, dan zal de mens zijn verslaving aan instant behoeftebevrediging moeten opgeven. Als we het hierover eens kunnen worden, dan zal alles op zijn plek vallen.

*

Ik weet niet wanneer ik mijn familie in Zuid-Afrika weer kan zien. Inmiddels heb ik via Zoom twee begrafenissen bijgewoond. Mijn negenjarige zoon heeft geleerd hoe hij tijdsverschillen kan berekenen, zodat hij in contact kan blijven met zijn neven, nichten en vrienden over de hele wereld. Mijn vader heeft de kunst van Voice Notes onder de knie en is actief in chatgroepen met zijn vrienden, ondanks de isolatie. Dit is niet wat het leven was, maar het is wel wat het leven is geworden. Het is zwaar, maar de voordelen zijn duidelijk. Net zoals miljoenen gezinnen over de hele wereld, leert mijn gezin hoe het minder moet consumeren en meer moet liefhebben. Als we niet de les leren die dit coronavirus ons probeert bij te brengen, dan zullen de zeeën ons vernietigen en dan zullen de branden ons verzengen en op den duur zullen de bomen groeien daar waar ooit onze steden stonden. Dit is uiteraard niet eens het slechtste scenario. Wellicht zal de aarde juichen op het moment dat de mens er niet meer is.

Dit essay maakt deel uit van de bundel Wat Niet Is Maar Kan Zijn die werd uiutgebracht ter gelegenheid van de expositie ‘A Fair Share of Utopia’. De bundel bevat bijdragen van tien schrijvers en negen kunstenaars waaronder Clarice Gargard, Vamba Sherif, Sander Donkers en Rashid Novaire.

De bundel kost 15 euro. Bestel hier.